|
|
|
|
Het woord van Jahweh, dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz [en] Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
|
|
|
Hoort, u volken altemaal! merk op, u aarde, en ook de volheid ervan! Adonai Jahweh nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit de tempel Zijner heiligheid.
|
|
|
Want ziet, Jahweh gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten van de aarde.
|
|
|
En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.
|
|
|
Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels; wie is [het begin van] de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie [van] de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?
|
|
|
Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.
|
|
|
En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.
|
|
|
Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.
|
|
|
Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.
|
|
|
Verkondigt [het] niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.
|
|
|
Ga door, u inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is [te] Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen.
|
|
|
Want de inwoneres van Maroth is ziek om des goeds wil; want een kwaad is van Jahweh afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.
|
|
|
Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden.
|
|
|
Daarom geef geschenken aan Morescheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen de koningen van Israel tot een leugen zijn.
|
|
|
Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, u inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, [tot aan] de heerlijkheid Israels.
|
|
|
Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.
|
|
|
|
|
|
2
|
|
Het ziet er slecht uit voor dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van de morgenstond doen zij het, aangezien het in de macht van hunlieder hand is.
|
|
|
En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan ieder en zijn erfenis.
|
|
|
Daarom, alzo zegt Jahweh: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.
|
|
|
Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, [en] zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers.
|
|
|
Daarom zult u niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente van Jahweh.
|
|
|
Profeteert gijlieden niet, [zeggen zij], laat [die] profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af [van] smaadheden.
|
|
|
O u, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest van Jahweh verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?
|
|
|
Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van de strijd.
|
|
|
De vrouwen Mijns volks verdrijft u, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt u Mijn sieraad in eeuwigheid.
|
|
|
Maakt u [dan] op, en gaat heen; want dit [land] zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het [u] verderven, en dat [met] een geweldige verderving.
|
|
|
Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, [zeggende]: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks.
|
|
|
Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israels overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.
|
|
|
De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door die [poort] uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en Jahweh in hun spits.
|
|
|
|
|
|
3
|
|
Voorts zei ik: Hoort nu, u hoofden Jakobs, en u oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
|
|
|
Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen.
|
|
|
Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, zoals in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.
|
|
|
Alsdan zullen zij roepen tot Jahweh, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, zoals zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
|
|
|
Alzo zegt Jahweh, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg.
|
|
|
Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.
|
|
|
En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.
|
|
|
Maar waarlijk, ik ben vol krachts van de Geest van Jahweh; en [vol] van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde.
|
|
|
Hoort nu dit, u hoofden van het huis Jakobs, en u oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;
|
|
|
Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.
|
|
|
Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op Jahweh, zeggende: Is Jahweh niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.
|
|
|
Daarom, om uwentwil, zal Sion [als] een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal [tot] steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.
|
|
|
|
|
|
4
|
|
Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis van Jahweh zal vastgesteld zijn op de top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
|
|
|
En vele heidenen zullen op weg gaan, en zeggen: Kom en laat ons opgaan tot de berg van Jahweh, en ten huize van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van Jahweh woord uit Jeruzalem.
|
|
|
En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het [ene] volk zal tegen het [andere] volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de krijg niet meer leren.
|
|
|
Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van Jahweh van de legers heeft [het] gesproken.
|
|
|
Want alle volken zullen wandelen, elk in de naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in de Naam van Jahweh, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.
|
|
|
Te dien dage, spreekt Jahweh, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.
|
|
|
En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en Jahweh zal Koning over hen zijn op de berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.
|
|
|
En u Schaapstoren, u Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochters van Jeruzalem.
|
|
|
Nu, waarom zou u zo groot geschrei maken? Is er geen Koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende [vrouw], heeft aangegrepen?
|
|
|
Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende [vrouw]; want nu zult u [wel] uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, [maar] aldaar zult u gered worden; aldaar zal u Jahweh verlossen uit de hand uwer vijanden.
|
|
|
Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.
|
|
|
Maar zij weten de gedachten van Jahweh niet, en zien Zijn raadslag niet in; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot de dorsvloer.
|
|
|
Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin Jahweh verbannen, en hun vermogen de Heere der hele aarde.
|
|
|
Nu, rot u met benden, u dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen de rechter Israels met de roede op het kinnebakken slaan.
|
|
|
|
|
|
5
|
|
En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
|
|
|
Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot de tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israels.
|
|
|
En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van Jahweh, in de hoogheid van de Naam van Jahweh, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde.
|
|
|
En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.
|
|
|
Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in de ingangen ervan. Alzo zal Hij [ons] redden van Assur, wanneer die in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landsgrens zal treden.
|
|
|
En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van Jahweh, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.
|
|
|
Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.
|
|
|
Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
|
|
|
En het zal te dien dage geschieden, spreekt Jahweh, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.
|
|
|
En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
|
|
|
En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en u zult geen guichelaars hebben.
|
|
|
En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat u zich niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.
|
|
|
Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
|
|
|
En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.
|
|
|
|
|
|
6
|
|
Hoort nu, wat Jahweh zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
|
|
|
Hoort, u bergen! de twist van Jahweh, en ook u sterke fondamenten van de aarde! want Jahweh heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven.
|
|
|
O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
|
|
|
Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam.
|
|
|
Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; [en wat geschied is] van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van Jahweh kent.
|
|
|
Waarmede zal ik Jahweh tegenkomen, [en] mij bukken voor de hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
|
|
|
Zou Jahweh een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven [voor] mijn overtreding, de vrucht mijns buiks [voor] de zonde mijner ziel?
|
|
|
Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist Jahweh van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
|
|
|
De stem van Jahweh roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
|
|
|
Zijn er [niet] nog, [in] eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
|
|
|
Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
|
|
|
Aangezien haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
|
|
|
Zo zal Ik [u] ook krenken, u slaande, [en] verwoestende om uw zonden.
|
|
|
U zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en u zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
|
|
|
U zult zaaien, maar niet maaien; u zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.
|
|
|
Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het hele werk van het huis van Achab; en u wandelt in de raadslagen ervan; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult u de smaadheid Mijns volks dragen.
|
|
|
|
|
|
7
|
|
Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
|
|
|
De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, ieder zijn broer, [met] een jachtgaren.
|
|
|
Om [met] beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter [oordeelt] om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.
|
|
|
De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is [scherper] dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.
|
|
|
Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
|
|
|
Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.
|
|
|
Maar ik zal uitzien naar Jahweh, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.
|
|
|
Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal Jahweh mij een licht zijn.
|
|
|
Ik zal van Jahweh gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal [mijn lust] zien aan Zijn gerechtigheid.
|
|
|
En mijn vijandin zal [het] zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is Jahweh, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
|
|
|
Op de dag dat Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.
|
|
|
Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs [tot] de vaste steden [toe]; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee [tot] zee, en [van] gebergte tot gebergte.
|
|
|
Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.
|
|
|
U [dan], weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, [in] het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden [in] Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
|
|
|
Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen u uit Egypteland uittoogt.
|
|
|
De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op de mond leggen; hun oren zullen doof worden.
|
|
|
Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren van de aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot Jahweh, onzen God, en zullen voor U vrezen.
|
|
|
Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
|
|
|
Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, U zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
|
|
|
U zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die U onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.
|
|
|
|